Afbeelding

400 jaar haven Hellevoetsluis: van oorlogsbodems tot plezierjachten

Historie 118 keer gelezen

Hellevoetsluis - Op 16 oktober wordt 400 jaar haven gevierd met allerlei activiteiten in de Vesting. Vier eeuwen geleden werd aan de Staten van Holland gerapporteerd dat de havenwerken bij de ‘Helvoetse Sluys’ waren afgerond. De Hellevoetse haven had daarmee de voorzieningen gekregen die nodig waren voor de berging en onderhoud van ‘schepen van oorlog’. De haven kon zich daarna ontwikkelen als thuishaven voor de Rotterdamse Admiraliteit en de Nederlandse oorlogsvloot.

Tekst: Teun Lageweg. Foto’s & illustraties: Stadsmuseum Hellevoetsluis

Hoewel het jaar 1621 als uitgangspunt voor ‘400 jaar Hellevoetse haven’ wordt gebruikt, fungeerden de haven en de rede van Hellevoetsluis ook lang daarvoor al als uitvalsbasis voor schepen van de oorlogsvloot. Nadat de rivier de Maas bij Brielle was gaan verzanden, was het voor de oorlogsschepen van de Rotterdamse Admiraliteit steeds moeilijker geworden om vanuit de Noordzee de Rotterdamse haven te bereiken. De Admiraliteit werd daardoor gedwongen voor haar oorlogsschepen een plaats dichter bij zee te vinden. Die plaats vond met aan de zuidkant van Voorne, in een buitendijkse uitwateringsgeul, bij een sluis in het Nieuw-Helvoetse Weergors, waardoor het overtollige water uit de polder in het Haringvliet werd geloosd. In 1588 werd het eerste oorlogsschip bij de ‘Helvoetse Sluys’ gestationeerd. 

Aanleg
Doordat steeds meer van de primitieve uitwateringsgeul bij de Helvoetse Sluys gebruik werd gemaakt, volgden al snel plannen om deze verder tot een echte haven te ontwikkelen.  Op 26 maart 1604 werd besloten tot de aanleg van een nieuwe haven op die plaats. De loop van de al bestaande geul in het Weergors diende daarbij als uitgangspunt. Met de polderbesturen werd een akkoord bereikt; in de dijk van het Weergors zou een nieuwe sluis komen en er zouden havenhoofden worden aangelegd. Achter de 9.15 meter brede sluis kwam een kulk van zo’n 650 meter lang en 40 meter breed. Over de sluis werd een ophaalbrug gelegd.

Havenplaatsje
Door allerlei tegenslagen schoten de werken echter niet erg op. Delen van de buitenwerken spoelden weg en de sluizen bleken op een gegeven moment niet meer te werken, waardoor eb en vloed vrij spel kregen. Pas na financiele toezeggingen van onder andere het polderbestuur, kwam er in 1617 toch weer schot in het werk. Zeventien jaar na het eerste besluit, kon op 16 oktober 1621 aan de Hollandse Staten worden gerapporteerd dat de Helvoetse havenwerken waren afgerond. De nieuwe havenplaats ontwikkelde zich daarna steeds meer als thuishaven voor de vloot van de Rotterdamse Admiraliteit, met alle voorzieningen van dien. Het schamele aantal huizen dat in het begin rond de sluis te vinden was, werd naarmate de havenactiviteiten zich uitbreidden steeds talrijker. De kleine nederzetting aan de sluis ontwikkelde zich tot een echt havenplaatsje en oorlogshaven.

Centrale ligging
Zo groeide die onbeduidende uitwateringsgeul in de Hellevoetse gorzen uit tot een haven van waaruit oorlogsschepen van de Rotterdamse Admiraliteit op expeditie gingen. De voor de Hollandse kust gunstige centrale ligging van die haven wakkerde bij Admiraal-Generaal Prins Frederik Hendrik de gedachte aan om Hellevoetsluis tot centrale basis van de Hollandse vloot, dus ook van de andere admiraliteiten te maken. Die gedachte was niet zo gek. Het was gebruikelijk om de oorlogsschepen van de diverse admiraliteiten bij een operatie vanuit hun eigen havens te laten vertrekken en nadat hun taak er op zat, er weer naar te laten terugkeren. Dat bleek altijd weer een hele operatie. Het kostte veel tijd en moeite om alle langs de Noordzeekust en de kust van de Zuiderzee (Amsterdam) gestationeerde schepen op een verzamelplaats te krijgen. Het zou natuurlijk veel efficiënter zijn alle schepen van de Nederlandse vloot centraal vanuit één punt te laten opereren, bevoorraden en repareren.


Zeevaarders als Tromp, De Ruyter en Piet Hein hadden Hellevoetsluis als thuishaven.

Concentratiepunt Hollandse vloot
Prins Frederik Hendrik wees daarom Hellevoetsluis en het Goereese Gat in 1632 aan als centraal concentratiepunt voor de Hollandse vloot. Van daaruit zouden voortaan alle maritieme operaties worden uitgevoerd. Hij vond voor dit plan uiteindelijk ook steun bij de Staten van Holland. Maar het voorstel vond echter geen genade bij – vooral - de admiraliteiten van Amsterdam en Zeeland. Met name Amsterdam verzette zich hevig, waarbij de particuliere financiële belangen van de notabelen van die stad natuurlijk een belangrijke rol speelden. Zij waren immers vaak zelf bij de bevoorrading en uitrusting van hun vloot betrokken. De plannen van de Prins werden brutaal gesaboteerd. Het conflict liep hoog op, maar de Prins moest tenslotte na een ingewikkeld steekspel over het beheer van de vloot, toch bakzeil halen. Het gevolg van het langdurige conflict was wel dat diverse admiraliteiten intussen de uitrusting van hun schepen hadden verwaarloosd, waardoor de Nederlandse vloot sterk aan slagkracht had ingeboet.

Kaart van de Vesting en haven uit 1697.

Vestingwerken
Hellevoetsluis bleef dus voortaan in hoofdzaak functioneren als thuishaven voor de Rotterdamse Admiraliteit. Pas toen met behulp van de Fransen in 1795 de Bataafse Republiek werd uitgeroepen, veranderde ook de organisatie van de Hollandse Zeemacht. De admiraliteiten werden opgeheven en de totale zeemacht kwam onder beheer van een Comité van Zeevaartzaken. Hellevoetsluis had in de tussentijd als marinebasis al diverse ups en downs beleefd. Er waren tal van gebeurtenissen geweest waar later met enige trots op kon worden teruggekeken. Vlootvoogd Piet Heyn was met zijn Zilvervloot in 1629 op de Hellevoetse reede aangeland en nu nog steeds bekende vlootvoogden als Maarten Harpertsz. Tromp en Michiel de Ruyter waren in het 17e eeuwse Hellevoet kind aan huis. Rondom de haven werden in enkele fases vestingwerken gebouwd, die nog steeds het gezicht en de sfeer van de huidige vesting bepalen.

Stadhouder Willem III
Een maritiem hoogtepunt was het binnenbrengen van het Engelse vlaggenschip Royal Charles in 1667, tegen het einde van de Tweede Engelse Zeeoorlog. Het schip was tijdens de tocht naar Chatham door de Hollanders veroverd en opgebracht naar de Hellevoetse haven, waar het lang bezoekers uit het hele land trok. Maar in de herinnering van velen is toch vooral de overtocht vanuit Hellevoetsluis van Stadhouder Willem III naar Engeland blijven hangen. Met een vloot van zo’n 400 schepen vertrok hij in november 1688 vanaf de Hellevoetse reede, om via een landing in het Zuid-Engelse Brixham (Devon) de Engelse troon over te nemen. Een feit dat in 1988 uitgebreid in Nederland, en ook in Hellevoetsluis werd herdacht.


Jeronymus van Diest: Het opbrengen van het Engelse admiraalschip de ‘Royal Charles’.

Een haven kan pas echt haven blijven als er met grote regelmaat onderhoud aan wordt gepleegd. Kades moeten regelmatig worden gerepareerd en vernieuwd, en de haven zelf op diepte gehouden. 

En daar schortte het in Hellevoetsluis nog al eens aan. Meestal was geldgebrek daarvan de oorzaak, of simpelweg de onwil om, vooral in vredestijd, geld te spanderen aan oorlogsvoorzieningen. Al dan niet door verval of andere dringende redenen gedwongen, vonden in de loop der eeuwen toch enkele grote renovatiewerken plaats. Aan het einde van de 17e eeuw werden de al primitief aangelegde vestingwallen sterk verbeterd, en het ‘natte dok’ vergroot en uitgediept.

Franse tijd
Een volgende grote renovatie volgde in de Franse Tijd, aan het begin van de 19e eeuw. Onder leiding van de waterbouwkundige Jan Blanken Jansz. werden haven en werf gemoderniseerd. Hellevoetsluis kreeg de nieuwste voorzieningen op het gebied van reparatie en onderhoud van de oorlogsvloot, waaronder ook het nu nog steeds functionerende en vrij recent gerestaureerde droogdok. De ooit zo primitieve nederzetting aan het Haringvliet had zich inmiddels ontwikkeld tot een marinebasis en havenplaats die er toe deed. Er was overal bedrijvigheid, de vestingwerken werden door garnizoenen bewaakt, het reizigersverkeer in de Hellevoetse haven van – en naar Engeland zorgde voor internationale drukte en de marinewerf gaf de Hellevoeters werkgelegenheid. Maar de sfeer en het karakter van de haven bleven vooral bepaald door schepen van de marinevloot.

Kanaal door Voorne
Een extra dimensie ontstond door het graven van het Kanaal door Voorne, die voor zeeschepen een aanzienlijke verkorting van de vaartijd van – en naar Rotterdam opleverde. Hellevoetsluis was nu niet alleen als haven aan de marine voorbehouden, maar speelde ook een rol in het verkeer van de koopvaardij naar de Rotterdamse haven.

Jammer genoeg was die periode maar van korte duur. De introductie van stoom en de daarmee gepaard gaande ontwikkelingen en vergroting van zeeschepen zorgden ervoor dat het kanaal al gauw te klein werd. Het graven van een nieuwe waterweg vanaf Hoek van Holland had daarvoor intussen uitkomst geboden. Het in 1830 geopende Kanaal door Voorne, dat tijdens zijn laatste jaren zo’n 10.000 schepen zag passeren, kende na de opening van de Nieuwe Waterweg in 1872 een enorme terugval. De koopvaardij speelde daarna in Hellevoetsluis bijna geen rol meer. Alleen de marine bleef over, maar ook daar klonken al verontrustende geluiden over het voortbestaan van Hellevoetsluis als vlootbasis.

Neergang
De relatief moeilijke toegang tot het Haringvliet en de ontwikkeling en vergroting van marineschepen zorgden ervoor dat de Hellevoetse haven steeds onaantrekkelijker werd voor de Nederlandse oorlogsvloot. Vele pogingen werden gedaan om Hellevoetsluis als marinebasis te behouden, maar die bleken tenslotte tevergeefs. Nadat tijdens de Eerste Wereloorlog de marine-opleidingen al waren vertrokken, werd Hellevoetsluis tenslotte in 1921 als marinebasis opgeheven. De ooit zo drukke en levendige haven bleef verweesd achter. Alleen de Rijkswerf bleef als belangrijke werkgever over, totdat ook voor de ‘wervianen’ in 1933 het doek viel. Het inwonertal van Hellevoetsluis was al sterk gedaald en ook het restant van de Hellevoetse bevolking maakte zich op zijn heil elders te zoeken.


‘Een Stad Sterft’
Haven en het Grote Dok bleven leeg achter. Onderhoud werd niet meer gepleegd, eb en vloed bezorgden bij ieder getij weer een extra laagje slib, zodat tenslotte bij laag water de havenbodem zichtbaar werd. De trotse vuurtoren had geen enkele functie meer, zelfs van de ooit daar ter plaatse zo bloeiende romantiek was niets meer te bekennen. De Tweede Wereldoorlog gaf aan het verval nog een extra zetje. De Hellevoetse haven leek reddeloos verloren. “Een Stad sterft”, schreef de bekende schrijver en oud-Hellevoeter Anthony van Kampen.

Ommekeer
De bevrijding in 1945 zorgde echter voor een ommekeer. Ook in het inmiddels tot 750 inwoners geslonken Hellevoet gingen toen de schouders eronder. Het gemeentebestuur maakte en realiseerde plannen om leven en werkgelegenheid weer in Hellevoetsluis terug te krijgen. Er bleek belangstelling voor het terrein van de oude Rijkswerf, op de verwoeste delen van de vesting werd weer gebouwd en de werkgelegenheid steeg. Enkele industrieën vestigden zich en de Watersnoodramp van 1953 zorgde, hoe bizar dit ook klinkt, voor een nieuwe opleving door het in gang zetten van de Deltawerken. De Hellevoetse haven kwam weer tot leven.

Werkhaven
Naast de oude Marinehaven, de in 1830 in gebruik genomen Koopvaardijhaven en de aan het begin van de 20e eeuw gegraven Veerhaven, kreeg Hellevoetsluis er nog een haven bij: de Werkhaven. Vanuit deze haven ten westen van de vesting werden materialen aangevoerd voor de bouw van de Haringvlietdam en – sluizen. Nadat in 1970 de Haringvlietdam was voltooid, kon de Werkhaven worden getransformeerd tot een haven voor de sterk groeiende recreatievaart. Drie watersportverenigingen en een commerciële onderneming hebben daar inmiddels hun stek. Ook de oude haven binnen de vestingwallen, ooit marinebasis en thuishaven van zeehelden, ontwikkelde zich tot een thuishaven voor de pleziervaart, evenals de Koopvaardijhaven, het Kanaal door Voorne en de Veerhaven (Tramhaven).

Groeigemeente
In 1960 werd Hellevoetsluis met de omliggende gemeenten Nieuw-Helvoet en Nieuwenhoorn samengevoegd. Onlangs kwam daar nog de vroegere gemeente Oudenhoorn bij. De plaats werd ‘groeigemeente’, er verrezen nieuwe woonwijken en het inwonertal groeide. In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw leefde de oude marinehistorie nog even op door de stationering van een squadron mijnenvegers in de Hellevoetse haven. De voltooiing van de Haringvlietdam werd echter als excuus gebruikt om ook dat laatste restje marine weer uit de Hellevoetse haven te laten verdwijnen.